Van hiel naar standvlak: een bijzonder pijpmodel rond 1630
Aad Kleijweg
In een korte periode, omstreeks 1625–1635, werden pijpen gemaakt met een dubbelconische ketel en een buitengewoon brede, platte hiel die als een soort standvlak onder de pijp uitstak. Verderop in dit artikel noemen wij dit een standvlakhiel. Het specifieke type standvlakhiel lijkt zich rond 1620–1635 te hebben ontwikkeld, met een duidelijke concentratie van voorbeelden tussen circa 1625 en 1635. De roker kon de pijp hierop neerzetten wanneer hij deze niet gebruikte. Voor zover momenteel bekend, kan de productie van dit specifieke type standvlakhiel worden aangetoond in Rotterdam, Gouda en Gorinchem.
Afb.1 Met AI gegenereerd 17e eeuw stilleven met standvlakhiel
Een mooi voorbeeld van een pijp met standvlakhiel die ongemerkt is, zien we op afbeelding 2. De pijp is in Gouda gemaakt en gekast. Ook is er geen radering bij de ketelrand aangebracht. Dit is een vroeg exemplaar, dat omstreeks 1625 te dateren is.
Afb. 2 Pijp met standvlakhiel ongemerkt
In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd bij Waddinxveen, in de polder Bloemendaal, een grote pijpenstort met Gouds materiaal gevonden. De stort bevatte veel vroeg materiaal uit omstreeks 1630. Er werden ook veel pijpjes met een standvlakhiel aangetroffen. Een groot deel daarvan was ongemerkt, maar er waren ook verschillende gemerkte exemplaren. Het meest voorkomende merk was de gekroonde roos.
De gekroonde roos behoort tot de vroegste pijpenmerken in Nederland. Het merk werd onder andere gebruikt door de eerste generaties pijpenmakers die vanuit Engeland naar Nederland kwamen. De roos wordt doorgaans in verband gebracht met de Tudorroos, waardoor het aannemelijk is dat het motief voor Engelse pijpenmakers een herkenbare verwijzing naar hun vaderland vormde. Het merk werd echter niet uitsluitend door Engelse pijpenmakers gebruikt: ook verschillende Nederlandse pijpenmakers in Gouda voerden de gekroonde roos als merk.
Afb. 3 Groepsfoto van standvlakhielen uit de pijpenstort Polder Bloemendaal Waddinxveen
Het merk De Gekroonde roos werd in Gouda door meerdere pijpenmakers gebruikt. In de periode 1625–1635 komen achtereenvolgens Willem Barentsz. (1617–1625), Martijntje Jaspers, weduwe van Willem Barentsz. (1625), Willem Flud (1625–1631), Daniël Andriesz. (–1628), Willem Hop (1625–1628), Robert Jaxon (1627–1628), Martijntje Jaspers, weduwe van Willem Flud (1631–1632) en Jan Jacobsz. Verheij (1632–1639) voor. Willem Flud gebruikte het merk met zijn initialen WF.
Het merk was zeer populair en werd ook door verschillende pijpenmakers gebruikt.
Reeds in 1629 verbood het stadsbestuur van Gouda het namaken van andermans merken. Hierdoor is het bij een pijp met een standvlakhiel en het merk De Gekroonde roos, vooral wanneer deze uit de periode 1625–1630 dateert, moeilijk om met zekerheid één specifieke pijpenmaker aan te wijzen. De datering van de pijp kan wel helpen om de mogelijke makers tot een bepaalde groep te beperken.
Goudse kleipijpen uit 1625–1635 werden gemaakt van zorgvuldig geselecteerde, witbakkende pijpaarde. De kwaliteit van de oorspronkelijke klei en het bakproces bepaalden mede de sterkte en porositeit van de pijp.
Na bijna 400 jaar in de bodem kan de huidige toestand echter sterk zijn veranderd. Grondwater kan door de poreuze klei dringen en daarbij zuren, zouten en mineralen meenemen. Vooral zure omstandigheden en zoutkristallisatie kunnen de keramiek aantasten, waardoor de pijp verkleurt, verzwakt, scheurt of afbrokkelt.
Daarom betekent een slechte kwaliteit van een gevonden pijp niet automatisch dat de oorspronkelijke klei van slechte kwaliteit was. De huidige staat is het resultaat van zowel de oorspronkelijke productkwaliteit als de omstandigheden waarin de pijp eeuwenlang begraven heeft gelegen.
Kort gezegd:
De kwaliteit van een Goudse kleipijp uit 1625–1635 werd oorspronkelijk bepaald door de klei en het bakproces, maar de kwaliteit van de huidige bodemvondst kan sterk zijn beïnvloed door water, zuren, mineralen, zouten en de plaatselijke bodemomstandigheden.
Afb. 4 toont een pijp met een standvlakhiel en een redelijk lang stuk steel, voorzien van het merk Roos gekroond met initialen. Door bodeminwerking is het merk helaas grotendeels onleesbaar geworden. Van het linker initiaal is nog vaag een S te herkennen; het rechter initiaal is volledig vervaagd.
Afb. 4 Standvlakhiel met merk Roos gekroond met onleesbare initialen
Afb. 5 heeft eveneens te lijden gehad onder bodeminwerking, maar het gekroonde merk Roos is nog duidelijk te determineren.
Afb. 5. Standvlakhiel met merk Roos gekroond
Een mooi voorbeeld van een pijp met standvlakhiel uit Gouda is afbeelding 6, met het merk Roos gekroond. Deze pijp heeft iets minder te lijden gehad onder de bodeminwerking, waardoor het merk duidelijker te herkennen is. Aan deze pijp kan geen specifieke pijpenmaker worden verbonden, maar de hierboven genoemde pijpenmakers komen hiervoor in aanmerking.
Afb. 6 Standvlakhiel pijp Roos gekroond
De Ongekroonde Roos
Het hielmerk De Ongekroonde Roos behoort tot de vroegste en meest interessante roosmerken uit de Goudse pijpenindustrie. In de literatuur wordt het merk in eerste instantie in verband gebracht met de pijpenmaker Robert Jaxon. Jaxon, afkomstig uit Engeland, gebruikte vanaf circa 1628 een ongekroonde roos als hielmerk.
De keuze voor de ongekroonde roos lijkt rechtstreeks verband te houden met een conflict over het gebruik van de Gekroonde Roos. In 1628 ontstond hierover een geschil tussen Jaxon en Willem Flud, die aanspraak maakte op het exclusieve gebruik van de gekroonde roos. Jaxon kreeg uiteindelijk toestemming om een roos als merk te gebruiken, maar zonder kroon. Daarmee ontstond een onderscheid tussen de gekroonde en ongekroonde roos, hoewel ook andere pijpenmakers deze merken gebruikten.
In de merkenliteratuur wordt De Ongekroonde Roos aan Robert Jaxon toegeschreven voor de periode 1628–1630/1635. Vanaf circa 1633/1635 wordt hetzelfde merk ook in verband gebracht met de Goudse pijpenmaker Barend Cornelisz. Hopman, die het volgens de huidige gegevens tot omstreeks 1645 heeft gebruikt.
Bij het toeschrijven van een pijp aan een specifieke maker moet echter de nodige voorzichtigheid worden betracht. Het gebruik van de roos als hielmerk was in deze periode niet uitsluitend tot één pijpenmaker beperkt. Al vóór 1629 bestonden er conflicten over het gebruik en de bescherming van roosmerken. In de loop van de jaren 1630 lijkt bovendien het exclusieve karakter van het roosmerk geleidelijk te zijn afgenomen. Hierdoor werd de roos door meerdere Goudse pijpenmakers toegepast.
Een vondst met het hielmerk De Ongekroonde Roos kan daarom niet zonder meer aan Robert Jaxon of Barend Cornelisz. Hopman worden toegeschreven. Voor een betrouwbare determinatie moeten ook andere kenmerken van de pijp worden meegewogen, zoals vorm, steelprofiel, hielvorm, kwaliteit van de afwerking, datering en eventuele andere merken of decoraties.
Voor de periode 1625–1635 zijn Robert Jaxon en Barend Cornelisz. Hopman de belangrijkste pijpenmakers die in de literatuur met dit merk in verband worden gebracht. Het is echter goed mogelijk dat ook andere pijpenmakers de populaire ongekroonde roos hebben gebruikt. Het merk moet daarom vooral worden beschouwd als een belangrijk hulpmiddel bij de datering en herkomstbepaling, maar niet als zelfstandig en sluitend bewijs voor de identiteit van de maker.
De ontwikkeling van De Ongekroonde Roos laat daarmee goed zien hoe de Goudse pijpenmerken zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw ontwikkelden: van een persoonlijk herkenningsteken van de pijpenmaker naar een merk waarvan het gebruik steeds sterker door stedelijke regelgeving werd beïnvloed, maar waarvan de exclusiviteit in de praktijk niet altijd eenvoudig te handhaven bleek.
Op afbeelding 7 zien we een pijp met standvlakhiel met het merk Roos ongekroond
Afb. 7 Stanvlakhiel met Roos ongekroond en reliëfversiering Lelie
Vanaf circa 1628 zien we bij de Goudse pijpenmakers een toenemende differentiatie in het gebruik van hielmerken. Naast de reeds bekende merken Roos Gekroond en Roos Ongekroond werden deze merken steeds vaker voorzien van de initialen van de pijpenmaker. De initialen maakten het mogelijk het merk duidelijker aan een bepaalde maker te verbinden en droegen daarmee bij aan de herkenbaarheid en bescherming ervan.
Deze ontwikkeling bleef echter niet beperkt tot de roosmerken. Al vóór 1630 werden ook andere beeldmerken toegepast, soms eveneens in combinatie met de initialen van de maker. Naast rozen komen onder meer lelies en andere figuratieve motieven voor. In de periode circa 1625–1635 zien we daardoor een geleidelijke overgang van meer algemene en anonieme roosmerken naar een grotere verscheidenheid aan persoonlijke merken.
Vanaf circa 1630 neemt het aantal merken waarin initialen een rol spelen duidelijk toe. De pijpenmaker kon daarbij een bestaand beeldmerk, zoals een roos of lelie, combineren met zijn initialen, maar ook een meer persoonlijk beeld- of lettermerk gebruiken. Deze ontwikkeling weerspiegelt de toenemende behoefte om de producten van verschillende pijpenmakers van elkaar te onderscheiden.
Een mooi voorbeeld hiervan zien we op afbeelding 8. Het betreft een pijp met een standvlakhiel, waarop als hielmerk een lelie boven een roos is aangebracht, gecombineerd met de initialen DA. Op grond van het merk en de overeenkomst met andere aan Daniel Andriesz toegeschreven pijpen schrijven wij deze pijp toe aan de Goudse pijpenmaker Daniel Andriesz. Hij gebruikte op pijpen met een normale hiel onder andere het initiaalmerk DA en het merk de Gekroonde Roos. De pijp kan op basis van haar vorm en het toegepaste hielmerk omstreeks 1628 worden gedateerd.
Afb. 8 Standvlakhiel met merk Lelie boven roos met de initialen DA
Bij afbeeldingen 9 en 10 zien we twee andere voorbeelden van Goudse pijpen met een standvlakhiel en een zeer fraai uitgevoerd merk: een gekroonde zon met de initialen SH, van de pijpenmaker Steven Hedricksz, die omstreeks 1630–1646 actief was. Ze zijn respectievelijk gevonden in de polder bij Reeuwijk en in Zeeland, in de plaats Middelburg. Deze twee pijpen zijn te dateren omstreeks 1630–1635.
Afb. 9 Standvlakhiel Zon gekroond SH
Afb. 10 Standvlakhiel Zon gekroond SH
Standvlakhiel met rijke barokke versiering
Op afbeelding 11 en 12 zien we helaas fragmentarisch twee pijpen met een standvlakhiel en een rijke barokke versiering. Een bijzonder fraai uitgevoerd voorbeeld van een standvlakhiel is bekend van de Goudse pijpenmaker Pieter de Licht..., een pijpenmaker die in Gouda actief was in het tweede kwart van de 17e eeuw. Pieter staat bekend als de maker van verschillende rijkelijk met barokke motieven versierde pijpen.
Op de ketel zien we een rijke florale versiering met bloemen en aapjes. Centraal op de hiel bevindt zich het merk van de ongekroonde roos, met daaromheen de tekst LICHTIVS GOVDA INVENT.
De twee vondsten zijn helaas sterk fragmentarisch. Bij het ene exemplaar is de ketel volledig afgebroken, terwijl bij het andere een groot gedeelte van de ketel ontbreekt. Toch zijn de overeenkomsten in de voorstelling en uitvoering zo duidelijk dat het aannemelijk is dat beide fragmenten uit dezelfde pijpenmal afkomstig zijn. De twee vondsten dateren waarschijnlijk van omstreeks 1632–1633.
Afb. 11, 12
De standvlakhiel bij Willem Flud
Willem Flud, een Goudse pijpenmaker die omstreeks 1625–1631 actief was, is ook bekend met pijpen met een vergrote hiel. Een exemplaar hiervan is te zien in het Pipe Museum in Amsterdam (APM 1.461a). Deze pijp heeft een conisch gevormde standvlakhiel en draagt als hielmerk een gekroonde roos met de initialen WF.
Naast deze conisch gevormde standvlakhiel zijn uit dezelfde periode ook pijpen van Willem Flud bekend met een anders gevormde, cilindrische hiel. Deze pijpen behoren niet tot het specifieke type standvlakhiel dat in dit artikel centraal staat, maar zijn vanwege hun opvallend vergrote hiel wel het vermelden waard.
Op afbeelding 13 zien we een vondst met het merk een gekroonde roos met de initialen WF. Het betreft een steelfragment waarvan de ketel ontbreekt. De hiel is vergroot, maar heeft een meer cilindrische vorm.
Afb. 13
Een andere pijp uit het assortiment van Willem Flud heeft eveneens een vergrote, cilindrische hiel (afb. 14). Ook deze pijp draagt het hielmerk een gekroonde roos met de initialen WF, dat incuus is gestempeld.
De cilindrische hielen zijn interessant omdat een dergelijke vorm ook bij pijpen uit andere productiecentra voorkomt. De sterk conisch gevormde standvlakhiel die in dit artikel centraal staat, lijkt daarentegen vooralsnog beperkt te zijn tot Gouda, Rotterdam en Gorinchem in de periode circa 1625–1635. Daarmee vormen de pijpen van Flud met een cilindrische hiel een interessante parallel, maar zij moeten niet zonder meer als dezelfde ontwikkeling worden beschouwd.
Afb. 14 Vergrote cilindrische hiel met merk Roos gekroond WF incuus gestempeld
De standvlakhiel in Rotterdam
Pijpen met een standvlakhiel zijn, zoals ik in de inleiding al aanhaalde, behalve in Gouda ook in twee andere productiecentra gemaakt, namelijk Rotterdam en Gorinchem.
Afbeelding 15 toont een pijp die in Rotterdam is gevonden en waarschijnlijk ook daar is gemaakt. De pijp is ongemerkt en heeft een wat kleinere, licht conische standvlakhiel. Mogelijk vormt deze pijp een vroege variant van de later meer uitgesproken standvlakhiel. De pijp heeft bovendien alleen aan de voorzijde van de ketelrand radering. De pijp wordt voorlopig gedateerd op 1620–1625.
Afb. 15 Pijp met standvlakhiel Ongemerkt
Een merk dat in Rotterdam veel is gevonden, is het merk RA gekroond. Hiervan zijn twee varianten bekend: RA gekroond boven zes stippen en RA gekroond. De variant RA gekroond boven zes stippen heeft een iets minder uitgesproken standvlakhiel dan de variant RA gekroond en is mogelijk een vroegere variant. Ook is in Rotterdam het merk Gekroonde roos met de initialen RA gevonden.
Beide varianten worden door verschillende onderzoekers toegeschreven aan een vooralsnog onbekende pijpenmaker uit Rotterdam. Het Amsterdam Pipe Museum schrijft het merk RA gekroond echter toe aan de Goudse pijpenmaker Rogier Willemsz. Appelbye. Deze toeschrijving wijkt af van de Rotterdamse herkomst die op basis van de vele vondsten van dit merk in Rotterdam aannemelijk wordt geacht.
Op afbeelding 16 zien we een pijp met een standvlakhiel en het merk RA gekroond boven zes stippen. Op afbeelding 17 en 18 zien we pijpen met een standvlakhiel en het merk RA gekroond. Deze laatste variant is in Rotterdam veelvuldig gevonden.
Afb. 16 Standvlakhiel met merk RA gekroond boven zes stippen
Afb. 17 Standvlakhiel met merk RA gekroond
Afb. 18 Standvlakhiel met het merk RA gekroond
In Rotterdam zijn in de periode 1625–1635 meer pijpen met een standvlakhiel gemaakt. Zo is er het merk Gekroonde LB boven een ster, waarvan wordt vermoed dat deze pijp is gemaakt door Lawrens Bayley. Bron: Jan van Oostveen, Tabak, en tabakspijpenmakers en hun producten in Rotterdam (1600–1675), blz. 22, afb. 21.
In hetzelfde boek zien we ook pijpen waarbij op de standvlakhiel een radeerlijn is aangebracht (blz. 76, afb. 99). De pijpenmaker hiervan is onbekend. Ook een standvlakhiel met het merk roos gekroond is bekend uit vondsten in Rotterdam blz. 72 Afb. 89a,b. Het is echter niet met zekerheid vast te stellen of deze pijpen in Rotterdam is vervaardigd of afkomstig zijn uit Gouda. Het voorkomen van een pijp in een Rotterdamse vondstcontext vormt immers op zichzelf geen bewijs voor lokale productie. Pijpen werden verhandeld en konden daardoor buiten de plaats van vervaardiging terechtkomen. Om de herkomst met meer zekerheid te kunnen bepalen, zijn naast de vondstlocatie ook de vorm, het hielmerk, de wijze waarop het merk is aangebracht en eventuele overeenkomsten met pijpen uit bekende productiecentra van belang.
De standvlakhiel in Gorinchem
In de periode waarin de hier beschreven standvlakhielen voorkomen, waren er nog maar weinig pijpenmakers actief in Gorinchem. Uit deze periode kennen we drie pijpenmakers: Marcus Claasz., van wie de activiteiten van 1633 tot 1663 uit de bronnen bekend zijn, William Pritsaert, van wie de activiteiten van 1630 tot 1642 uit de bronnen bekend zijn, en Willem Teeck, van wie de activiteiten van 1630 tot 1674 uit de bronnen bekend zijn.
Vooralsnog zijn alleen van William Pritsaert vondsten bekend van pijpen met een standvlakhiel. Hij merkte deze pijpen met de gekroonde roos, met toevoeging van zijn initialen WP. Van dit merk zijn verschillende varianten bekend, die hij op pijpen met een standvlakhiel plaatste. Bekijk afbeelding 19 pijp met standvlakhiel met merk de Gekroonde Roos WP.
Afb. 19 Pijp met standvlakhiel met merk Gekroonde Roos WP
Een mogelijk vroeg voorbeeld uit Den Haag?
In het boek Tabakspijpenmakers en hun producten in Rotterdam (1600–1675) beschrijft Jan van Oostveen op pagina 7 een pijp met een standvlakhiel en het merk TB. Bijzonder aan deze pijp is dat het merk niet, zoals bij de meeste hielmerken, met een merkstempel in de nog zachte klei is aangebracht, maar in de pijpenmal is ingegraveerd. Van Oostveen schrijft deze pijp mogelijk toe aan de Haagse tabakspijpenmaker Thomas Boddington en dateert het exemplaar op circa 1620–1630.
Een vergelijkbare pijp wordt door D.H. Duco beschreven in Goudsche tabagie of gastvrij hoerehuijs (Amsterdam, 1996, afb. 22). Ook bij dit exemplaar is het merk TB in de pijpenmal aangebracht. Duco schrijft deze pijp toe aan de Delftse pijpenmaker Thomas Bael.
Deze verschillende toeschrijvingen zijn opmerkelijk. In dit onderzoek zijn tot nu toe drie productiecentra naar voren gekomen waar het specifieke type conisch gevormde standvlakhiel in de periode circa 1625–1635 is aangetroffen: Gouda, Rotterdam en Gorinchem. Een TB-pijp die mogelijk al rond 1620–1630 is vervaardigd, zou daarmee een interessante aanvulling kunnen vormen.
Daarmee kan Den Haag als mogelijk vierde productiecentrum niet zonder meer worden uitgesloten. De Haagse pijpenmaker Thomas Boddington, die vanaf 1621 in Den Haag als pijpenmaker bekend is, komt daarvoor chronologisch in aanmerking. De afwijkende wijze waarop het merk TB in de pijpenmal is aangebracht, maakt het bovendien denkbaar dat het om een vroeg stadium in de ontwikkeling van de standvlakhiel gaat.
Vooralsnog is het echter niet mogelijk om deze pijp met zekerheid aan Boddington toe te schrijven. Hetzelfde geldt voor de toeschrijving aan Thomas Bael. Het merk TB vormt op zichzelf onvoldoende bewijs.
Conclusie
De standvlakhiel lijkt een kortstondige ontwikkeling binnen de vroege Nederlandse pijpenproductie te zijn geweest. De tot nu toe bekende voorbeelden met de karakteristieke, sterk conisch gevormde en buitengewoon brede hiel dateren voornamelijk uit de periode circa 1625–1635. Op basis van de huidige vondsten kan productie van dit specifieke type worden aangetoond in Gouda, Rotterdam en Gorinchem.
Tegelijkertijd zijn er uit dezelfde periode ook pijpen bekend met vergrote, maar anders gevormde hielen, waaronder cilindrische hielen. Deze komen in meerdere productiecentra voor en moeten daarom niet zonder meer met de conisch gevormde standvlakhiel in verband worden gebracht.
De vraag waar het model zijn oorsprong vond, blijft daarmee voorlopig open. De mogelijke vroege Rotterdamse exemplaren uit circa 1620–1625 en de bijzondere TB-pijp, waarvan een Haagse herkomst niet kan worden uitgesloten, maken het aannemelijk dat de ontwikkeling mogelijk eerder is begonnen dan de huidige groep van 1625–1635 doet vermoeden. Nader onderzoek naar vroeg-17e-eeuwse pijpen uit Den Haag en andere productiecentra kan hierover meer duidelijkheid geven.
Bronnen en literatuur
Duco, D.H. (1978). Goudse pijpen; de geschiedenis van de pijpmakerij te Gouda vanaf haar ontstaan tot heden, met een bijlage van de merken van het Goudse gilde en hun eigenaren. Amsterdam.
Duco, D.H. (1981). De kleipijp in de zeventiende-eeuwse Nederlanden. Oxford.
Duco, D.H. (1988). De kleipijp als bodemvondst. Weesp.
Duco, D.H. (1996). Goudsche tabagie of gastvrij hoerehuijs. Amsterdam: Pijpenkabinet Foundation.
Van der Meulen, J., Brinkerink, J.P. & Von Hout, P. (1992). Tabakspijpennijverheid in Gorinchem. Een inventarisatie van de pijpenmakers en hun produkten gedurende een periode van 200 jaar. Leiden: Pijpelogische Kring Nederland. ISBN 90-801138-1-6.
Van Oostveen, J. (2015/2016). Tabak, tabakspijpenmakers en hun producten in Rotterdam (1600–1675). BOORnotitie 19, Rotterdam.
Van Oostveen, J. (2018). Tabakshandelaren en tabakspijpenmakers in Delft (1600–1813). Tiel.
Van Oostveen, J. & Stam, R.D. (2011). Productiecentra van Nederlandse kleipijpen. Een overzicht van de stand van zaken. Leiden.
Stam, R.D. (2019). Vergeten glorie: De economische ontwikkeling van de Nederlandse kleipijpennijverheid in de 17e en 18e eeuw, met speciale aandacht voor de export. Proefschrift, Universiteit Utrecht.
Van der Lingen, B. (2025). Frederik Hendrik- en Amalia van Solms-pijpen: een nieuwe datering en interpretatie en andere (gedateerde) barokpijpen van Pieter de Licht. PKN Jaarboek 2025.
Brinkerink, J.P. & Veen, M.C.W. (1988). “Gorinchem”, in: F. Tymstra & J. van der Meulen (red.), De kleipijp als bodemvondst. Beknopt overzicht van tien jaar onderzoek naar de belangrijkste pijpenmakerscentra in de 17e en 18e eeuw, Leiden, p. 50–63.
Dankwoord
Dank aan mijn collega-verzamelaar Freek Mayenburg van Goudsekleipijpen voor het beschikbaar stellen van de foto's en voor het delen van zijn kennis en waardevolle inzichten, die mede hebben bijgedragen aan dit onderzoek.